zondag 17 oktober 2010

De NS zet bussen in

Haar naam is Marcia. Een 45-jarige grootse vrouw, letterlijk en dan vooral figuurlijk. Ze draagt een tuniek dat haar grootsheid toch enigszins moet verhullen met een schreeuwerige print. Ze heeft haar haardos bij elkaar gebonden met zo’n dik jaren zeventig elastiek in een vaal roze kleur. Op haar schoot staat een grote rode boodschappentas met een geel logo erop. De tas zwaait gevaarlijk heen en weer op haar knieën terwijl ze tegen me praat.
“Nou en ik zei dus tegen die conducteur, ik zei dus, nee meneertje ik ga niet weer in zo’n achterlijke klotebus! Maar nee, meteen een grote bek hoor.” Terwijl ze de conducteur er nog eens verbaal van langs geeft vliegen kleine drupjes speeksel op de ruit van de bus. Ik wou dat ik dat niet gezien had.
“Godsklere Kliff, loop niet zo te kloten!” Ze geeft een vijfjarig jongetje een tik op z’n hoofd. Kliff, en dat spel je inderdaad met een K wist Marcia mij trots te vertellen (hebben die gekke Engelsen het toch al die jaren fout gehad, wat een dommeriken!), en Cindy zijn de kinderen van Marcia. Vanaf het moment dat we met een grote groep chagrijnige mensen de bus in zijn gestapt zijn Kliff en Cindy niet meer opgehouden met klieren, schreeuwen en boven alles huilen. Vooral Kliff.
“Ja het komt gewoon door z’n ADHD hè” verontschuldigd Marcia zich tegen mij, “sinds z’n vader weg is, is hij niet meer te houden, wordt helemaal gek van hem. Godverdomme KLIFF!” Ze grijpt het ventje bij zijn broek en trekt hem op zijn stoel. Cindy lacht en trekt gekke gezichten naar hem. Daarop zet hij het op een brullen.
“Ja maar weet je het is ook zo moeilijk als vrouw alleen hè, met twee van die etters, soms ben ik het helemaal zat hoor. En dan zeggen ze wel eens dat een moeder alles doet voor haar kinderen, nou, mij niet gezien. Als iemand ze wil hebben, neem ze alsjeblieft mee”. Omdat Marcia daarna gaat lachen neem ik aan dat dit als grapje bedoeld is. Ik vind het niet grappig. Ik vind Marcia sowieso niet bijzonder leuk. We zitten inmiddels twintig minuten vast in de spits file (is er überhaupt spits op zaterdag?) op de Waalbrug en ik heb nog geen woord tegen mijn medereizigster gezegd. Maar dit schijnt haar niet te deren, een onophoudelijke stroom woorden vloeit, bijna letterlijk, voort uit haar mond en laat kleine spatjes achter op het inmiddels toch al niet meer zo propere raam.
“Het komt gewoon omdat die lul met die domme kut van de buren heb liggen krikken” zegt Marcia opeens resoluut, hetgeen me ruw doet ontwaken uit mijn overpeinzingen. Ik ga er maar clichématig vanuit dat het om haar man en zijn minnares gaat. Begripvol knikken hoeft niet eens, ze is tevreden met de compleet lege blik die ik haar werp.
“En op de therapie zeggen ze dan, Marc, je bent een stevige meid, (en dat kan niemand ontkennen natuurlijk), je kan best zonder die lulhannes, je moet gewoon op zoek gaan naar een man die echt van jou houdt om wie je bent. Maar ja, dat is makkelijker gezegd dan gedaan als je twee kinderen hebt. Wie wil die twee nou hebben?” Ze gebaart vaagjes opzij. Ik vermoed dat het probleem niet helemaal bij de kinderen ligt. Cindy knijpt ondertussen keihard in Kliff zijn armpje en Kliff zet het wederom op een brullen. Marcia geeft beiden een tik op het achterhoofd.
“Het is godverdomme afgelopen met dat gezeik ja! Alsof jullie vader al niet genoeg gezeik was, man ik schaam me dood voor jullie!” Kliff begint nog harder te brullen.
“Mam, Kliff moet poepen” zegt Cindy, schijnbaar behulpzaam. Kliff stopt met huilen en knikt.
“Je ken hier toch godverdomme niet zomaar zitten poepen Kliff! Dit is een bus!” Schreeuwt Marcia. Dit wordt me allemaal ietwat veel en ik besluit maar gewoon stoïcijns naar buiten te gaan kijken en te doen alsof ik niet besta. De Waalbrug glijdt ijzeren spijl na ijzeren spijl aan mij voorbij. Ik zou willen bidden maar God heeft zich gok ik allang weggedraaid van de bus na al dat verbaal geweld aan zijn adres.
“Meiske” er wordt driftig op mijn knie getikt. “Meiske, let jij effe op kleine Cin wil je, dan neem ik Kliff effe mee naar de buschauffeur, misschien kan die effe stoppen bij een tankstation”. Voordat ik dit verleidelijke aanbod heb kunnen afslaan heeft ze de jongen bij de arm gegrepen en marcheert ze de bus door. Cindy gaat naast mij zitten en kijkt nors.
“Ik haat haar” mompelt ze.
“Daar kan ik me iets bij voorstellen” antwoord ik vriendelijk. Mijn medepassagiers draaien zich in shock om.
“Zoiets zeg je toch niet tegen een kind?” Zegt mijn buurvrouw verontwaardigd.

zondag 10 oktober 2010

Cursusdag 1

“Jij lijkt mijn echt zo’n type dat al samenwoond” zegt een vrouw van om en nabij de 40. Ze heeft kittig kort haar met een pittige kleur die vast heel hip is in haar segment vriendinnen en op haar bordje staat Sandra. We hebben allemaal zo’n bordje. Dat is handig voor de cursusleider.
“Ja absoluut samenwonend, en ze is heel slim volgens mij dus ze zal wel een HBO met iets commercieel doen” voegt Manon toe. Soms vraag je jezelf af hoe je in bepaalde situaties terecht komt. Het is een zaterdagmiddag, ik ben al op sinds 6 uur ’s ochtends en ik sta in een net niet chique zaal van zo’n typische hotelketen in Arnhem. Een beamer projecteert nog altijd een zeer flitsende powerpoint sheet die onze opdracht moet uitleggen. De cursusleider heeft een ‘leuke maar laagdrempelige manier om kennis te maken’ bedacht. We moeten één voor één voor de groep gaan staan en dan mag iedereen roepen wat ze denken dat bij jou hoort. Dit varieërt van het standaard huisje – boompje – beestje verhaal tot hobbies en vage karaktereigenschappen. Een vooroordelenspel. Enig. Ik snap niet wat dit bijdraagt aan het ontwikkelen van mijn kwaliteiten als teamleider.
“Oh en je ziet zo dat ze sportief is, wel een kaksport, hockey ofzo” zegt Melissa. Ik vraag me af waar ik die opmerking aan verdiend heb.
“Nou dames dat lijkt me voldoende, Laura, laat ons niet langer in spanning!” zegt de iets te hippe thirty-something cursusleider zonder das maar met roze overhemd. Op het bord heb ik mee moeten schrijven met wat de groep over mij dacht:

-          Samenwonend
-          Tussen de 19 en 21 jaar
-          Vrolijk
-          Spontaan
-          Slim à HBO commercieel
-          Feestbeest
-          Lowlands
-          Houdt mensen bij elkaar/is een stabiele factor
-          Eigenwijs
-          Hockey*

Paniek grijpt mij bij de keel. Ik heb zelden zoveel verkeerde inschattingen in één rij gezien en nu moet ik aan de vriendelijk lachende groep gaan vertellen dat ik absoluut niet vrolijk en spontaan ben, laat staan een feestbeest.
“Nou ik ben dus Laura, 20 jaar dus het klopte heel aardig” probeer ik vriendelijk. Melissa stoot degene naast haar aan en gebaart dat zij dat had geraden.
“Als jullie mij vrolijk en spontaan vinden, dan zal dat wel zo zijn denk ik” lach ik ongemakkelijk, maar iedereen vat het op als verlegenheid en knikt me geruststellend toe. Ik voel me niet gerustgesteld. Ik ben de laatste van de tien cursisten en ik weet dat ik de enige ben die op dit moment bezig is met een universitaire opleiding. Ik schaam me haast dat iedereen me slim vindt en daar meteen een HBO aan koppelt, ik schaam me diep dat ik het tot nu toe heel normaal heb gevonden dat slimme mensen uitsluitend toegepaste natuurkunde studeren aan de TU in Delft.
“Ik doe rechten in Nijmegen” maak ik er heel neutraal van en iedereen zucht van bewondering.
“Ja dat zie je zo hè, dat zie je gewoon aan de ogen, een pientere meid” zegt Manon. Die horde is ook genomen, ik neem me voor om de rest van de cursus het onderwerp ‘opleiding’ te vermijden.
“Ik ga niet elke avond fanatiek uit ofzo maar als er een leuk feestje is ben ik daar best voor te porren” probeer ik joviaal te zeggen, maar ik durf te wedden dat niemand me gelooft.
“Lowlands ben ik nog nooit geweest, en als ik er naartoe zou gaan dan zou ik niet zoveel zien ben ik bang” mijn medecursisten lachen, zelfspot wordt gewaardeerd. Een goede kwaliteit van mijn groep, dat valt me mee.
“En om het kort te houden, ik heb een hekel aan sport, heb ik helemaal niks mee. Naja, fietsen vind ik heerlijk maar voor de rest, nee.” Dat valt weer een beetje tegen. De rest houdt overduidelijk wel van sport. Ik besluit verder mijn mond te houden en te gaan zitten. Sandra zit naast me en slaat moederlijk een arm om mij heen.
“Je hoeft echt niet verlegen te zij bij ons hoor meid, we moeten nog een jaar met elkaar door” ze denkt dat ik verlegen ben. Ik denk niet dat de meeste mensen die mij kennen mij als verlegen beschouwen. En ik moet nog een jaar, een jaar van dit soort geneuzel en verantwoorde managing. Dat wordt een ‘uitdaging’, zoals ze hier elke tegenslag noemen. Enig, van die verantwoorde cursussen van je werk, je komt dingen over jezelf te weten die je nooit achter jezelf had gezocht.

zondag 3 oktober 2010

Animalcops

Evert en ik zitten in de trein. Hij is druk bezig met het maken van een nest met de pluk stro die ik in zijn hokje heb gedaan en heeft daarvoor al zijn concentratie nodig, hij kijkt niet eens meer op van de schelle fluit die de trein oproept te vertrekken.
Het is redelijk druk in de trein, zeker voor een zaterdagochtend om kwart voor negen; tegenover mij zit een ouder echtpaar, naast mij een moeder met haar dochter. Alle ogen zijn gericht op het kooitje op mijn schoot. Alle ogen spreken vertedering, behalve die van de moeder. Zij is hoogstwaarschijnlijk bang voor de discussie met dochterlief, die ongetwijfeld gaat volgen, over de aanschaf van een huisdier.
Op de een of andere manier is een dier als geen ander een uitnodiging tot conversatie. Ik hou absoluut niet van conversatie in de trein. Het oudere echtpaar wel.
“Is dat nou een cavia?” vraagt de oude dame mij.
“Nee mevrouw, dit is een goudhamster” antwoord ik vriendelijk, het kwaad is geschied.
“Och wat enig, Willem, had Karin van Marit niet ook een hamster? Of was dat nou een konijn?” aan de blik in Willem zijn ogen te zien weet Willem niet meer wie Karin of Marit zijn. Hij knikt sullig.
“En waar neem je hem mee naar toe zo op de vroege zaterdagochtend als ik vragen mag? Vind hij dat niet erg, zo in dat kooitje zitten?”
In de trein is het sociaal geaccepteerd dat mensen je heel sociaal ongeaccepteerde vragen stellen. Als een willekeurige voorbijganger aan iemand vraagt waar diegene naartoe gaat op een willekeurig tijdstip vinden de meeste mensen dit onbeleefd. Maar als je gebruik maakt van het openbaar vervoer is dit ineens heel erg normaal. Daarnaast vraag ik me af waarom de oude mevrouw me vraagt of ze me dit mag vragen, terwijl het eigenlijk ook niet sociaal geaccepteerd is om “Nee, ga weg” hierop te antwoorden. Als iemand zegt: “als ik vragen mag?” achter een zin, word je sowieso al geacht deze vraag goed te keuren en te beantwoorden. Dus ik besluit geheel sociaal geaccepteerd te antwoorden.
“Ik ben op weg naar mijn ouders mevrouw, en omdat ik thuis toch nog een hamsterkooi heb staan neem ik mijn hamster wel eens mee naar huis. En volgens mij vindt hij dat prima, want hij valt meestal in slaap in de trein.”
“Oh wat leuk zeg” zegt de oude mevrouw, duidelijk door haar gespreksstof heen. Ik ben tevreden en kan weer rustig naar buiten staren. “Dan vind je het vast wel leuk dat er met de nieuwe regering allemaal animalcops komen” zegt de oude meneer plots. Ik ben van mijn stuk gebracht door deze onverwachte politieke wending in onze tot een seconde geleden afwezige conversatie. Word ik geacht hier een politiek correct antwoord op te geven of een eerlijk antwoord?
“Eerlijk gezegd denk ik dat mijn hamster weinig zal hebben aan deze animalcops, gezien het feit dat mijn hamster weinig te klagen heeft. Sowieso denk ik dat hamsterleed niet heel hoog in hun lijst van prioriteiten staat. Ze zijn meer de schurftige ponypolitie volgens mij. Daarnaast denk ik dat Nederland gebaat is bij een hoop dingen maar dat animalcops daar geen deel van uit maken. Tenslotte vraag ik mij af waarom ze ‘animalcops’ heten en niet gewoon dierenpolitie, wat net zo makkelijk is en gewoon Nederlands.” De oude man was op zijn beurt niet voorbereid op mijn uitgebreide antwoord en kijkt koortsachtig uit het raam, op zoek naar iets dat de conversatie gaande zou kunnen houden. Zijn vrouw schiet te hulp.
“Paris Hilton heeft ook zo'n huisdier dat ze overal mee naar toe neemt, bij wijze van accessoire, eigenlijk is je hamster een beetje hetzelfde. Leuk hè?” Deze brute vergelijking schiet me in het verkeerde keelgat. Een stem galmt door de trein en vertelt dat Zutphen niet ver meer is.
“Mevrouw, er is helemaal niks leuks aan Paris Hilton, laat staan aan die uit zijn krachten gegroeide rat die ze voor de lol jurkjes aantrekt. Ik weet niet waarom iedereen een dier als verplichting tot conversatie ziet en waarom ik, als ik toch probeer iets te maken van die conversatie, op de koop toe ook nog eens wordt vergeleken met iemand die een IQ heeft ter hoogte van schoenmaat.” Het perron van station Zutphen is in zicht.
“En hier ga ik de trein uit, op weg naar voor u onbekende bestemming. Ik wens u een prettige dag.” Met ferme hand pak ik Evert zijn kooi vast en sta op. Misschien kunnen die nieuwe animalcops iets doen aan het verbale geweld dat mensen wordt aangedaan als gevolg van het hebben van een dier? Ik maak een mentale notitie en besluit een brief te sturen aan Mark Rutte met mijn suggestie.