dinsdag 17 juli 2012

Spitsrevolte


Het is spitsuur, met een hoofdletter S. Niets is te vergelijken met de ochtenddrukte in het openbaar vervoer van Haarlem naar Amsterdam. De mensen staan rijen dik op het perron te dringen voor de intercity, die eens in de tien minuten rijdt. Je zou denken dat dit de mensenmassa toch enigszins moet kunnen ondervangen, maar niets is minder waar. Het is en blijft druk op het station en de eindeloze stroom forenzen blijft maar komen. En weinig publiek is op de hoogte van de enorme hinderlijkheid van forenzen. Forenzen hebben namelijk besloten dat, gezien het feit dat zij forenzen zijn en daarom dappere kostwinners van de Nederlandse maatschappij, allerlei gedrag dat normaal eigen niet geaccepteerd wordt voor hun wel toelaatbaar is. Gezellig tussen de respectabele huisvaderburgers en parttimebakfietsmoeders pers ik mezelf de trein in. Om te ontdekken dat het treinstel vol is. Dus ik moet staan. Als ik een euro kreeg voor elke keer dat ik moest staan had ik überhaupt niet naar mijn werk hoeven gaan. En vandaag sta ik dus weer, tussen de chagrijnig kijkende dertigers. Naast mij zit een vrouw heel tevreden met zichzelf te zijn, ze heeft zichzelf als eerste de trein in kunnen slingeren en zit. Naast haar staat haar handtas. Haar handtas heeft een eigen stoel. Dat is me iets teveel op de vroege ochtend.
“Mevrouw?” Geen reactie, de muziek die uit haar oordopjes komt is voor de rest van de trein letterlijk te volgen dus dat is geen wonder. Ik tik op haar schouder.
“Mevrouw?” Geïrriteerd zet ze haar muziek op pauze.
“Is er iets?”
“Mag ik hier zitten?” Die had ze niet zien aankomen. Schijnbaar is het zeer bijzonder dat mensen graag zitten op de plek waar jou handtas staat.
“Mijn tas staat er toch?”
“Nou ik denk dat tassen geen eigen stoel hoeven te hebben hoor mevrouw” zeg ik, de recalcitrante rotstudent, die zomaar ineens denkt dat haar rechten boven die van een handtas staan. Belachelijk!
“Dat is een dure tas hoor.”  Ze wijst op het Louis Vuitton logo.
“Daar heb ik bijzonder weinig boodschap aan mevrouw, daarnaast, als het zo’n dure tas is raad ik u al helemaal aan om hem op schoot te nemen.” Inmiddels heb ik wat medestanders gekregen in de rij achter me en wordt er instemmend gemompeld.
“Mensen gunnen elkaar ook niks meer hè” zegt de mevrouw achter me en ik krijg een bemoedigend schouderklopje. De revolutie is hier en nu begonnen. Che Guevara zou trots op me zijn. De handtas wordt gelaten op schoot genomen en ik geef de stoel aan de vrouw die achter me stond. Want als nieuwbakken revolutionair moet je uiteraard wel de liefde van het volk behouden. De vrouw gaat zitten en bedankt me drie keer. De handtas mevrouw heeft haar muziek weer keihard aangezet en wordt berispend toegesproken door mijn nieuwe kameradin in de strijd.
“Mevrouw, daar gaan uw oren van naar zijn grootje en dat is schade die u nooit meer kunt herstellen, daarnaast kan de hele trein meegenieten.” Iedereen achter me knikt en ik knik ook daadkrachtig, zoals het een echte leider betaamd. Goedzo kameradin, de oorlog tegen de onfatsoenlijke forens is begonnen. Morrend draait de mevrouw haar muziek wat zachter en daardoor hoor ik een ander muziekje afgaan. Mijn mobiel.
“Sorry mam, ik bel je later even terug, ik sta nu in de trein.” Om mij heen wordt met afschuw gereageerd.
“Die studenten van tegenwoordig hebben nergens meer respect voor. Gedragen zich alsof de wereld van hen is. Het is toch te gek voor woorden. En dat van onze belastingcenten!” Mijn volgelingen keren zich tegen me en de revolutie is voorbij. Ik wil een auto. 

donderdag 5 juli 2012

Teddybeer


Om me heen staan acht lege verhuisdozen. De vloer is niet meer te zien door de enorme hoeveelheid rommel die er ligt. Beddengoed, kleren, kranten, een verdwaald glas, lege dozen waar eerst zaagsel voor Evert in zat en een brief van de SSHN maken mijn kamer vrijwel onbegaanbaar. Te midden van mijn zee met spullen zit ik wanhopig voor me uit te kijken. Ik ben één van die mensen die heel hard roept dat verhuizen echt helemaal niet erg is en dat als je het gestructureerd doet, dat het dan allemaal best meevalt. Dat is een dikke vette leugen en ik snap niet waarom ik er elke keer in trap. Ten eerste omdat ik wellicht de meest ongestructureerde persoon op aarde ben en ten tweede omdat de empirische werkelijkheid zonder uitzondering heeft aangetoond dat het nóóit meevalt. De zakken met kleding die ik al had ingepakt zijn omgevallen, maar om ze weer overeind te zetten moet ik eerst over drie dozen en mijn dekbed heen dus ik laat ze maar liggen en kijk naar het papier voor me. Het lumineuze idee om een lijstje te maken van dingen die ik moet inpakken lijkt minder lumineus dan een kwartier geleden. Want waar begin je in godsnaam? Ondefinieerbare troep waarmee ik eventueel een hobby zou kunnen uitoefenen of product zijn van een hobby (schilderspullen, camera, oude ANS-en), educatieve ondersteuning en literatuur (boeken die niet leuk zijn om te lezen), boeken (boeken die wel leuk zijn om te lezen), dingen die bijdragen aan culinair genot (potten, pannen, bestek, halflege potjes kruiden die je eigenlijk gewoon weg moet gooien maar dat stel je steeds uit omdat het ‘zonde’ is), alles wat je op je lichaam moet smeren en vooral niet in moet slikken (toiletspullen) en alles dat een stopcontact nodig heeft (föhn, computer) leek me een goede verdeling maar vanuit mijn ooghoek kijken twee vazen me beschuldigend aan. Daar begint het gedonder al, want als je een aparte categorie voor de vazen maakt, dan moet je voor alle artikelen die nergens in passen een aparte categorie maken en dan is je systeem waardeloos. Of je maakt de categorie ‘rest’. Maar er zijn weinig dingen zo zinloos als de restcategorie, want alles past in de restcategorie, wat tot gevolg heeft dat je eigenlijk niet weet wat er in die categorie thuishoort. Ik zucht en besluit maar gewoon een begin te maken met mijn lijstje en pak het dichtstbijzijnde. Een teddybeer. Kut.