Spitsrevolte
Het is spitsuur, met een hoofdletter S. Niets is te
vergelijken met de ochtenddrukte in het openbaar vervoer van Haarlem naar
Amsterdam. De mensen staan rijen dik op het perron te dringen voor de
intercity, die eens in de tien minuten rijdt. Je zou denken dat dit de
mensenmassa toch enigszins moet kunnen ondervangen, maar niets is minder waar.
Het is en blijft druk op het station en de eindeloze stroom forenzen blijft
maar komen. En weinig publiek is op de hoogte van de enorme hinderlijkheid van
forenzen. Forenzen hebben namelijk besloten dat, gezien het feit dat zij
forenzen zijn en daarom dappere kostwinners van de Nederlandse maatschappij,
allerlei gedrag dat normaal eigen niet geaccepteerd wordt voor hun wel
toelaatbaar is. Gezellig tussen de respectabele huisvaderburgers en parttimebakfietsmoeders pers ik mezelf de trein in. Om te ontdekken dat het treinstel vol is. Dus ik moet staan. Als ik een
euro kreeg voor elke keer dat ik moest staan had ik überhaupt niet naar mijn
werk hoeven gaan. En vandaag sta ik dus weer, tussen de chagrijnig kijkende
dertigers. Naast mij zit een vrouw heel tevreden met zichzelf te zijn, ze heeft
zichzelf als eerste de trein in kunnen slingeren en zit. Naast haar staat haar
handtas. Haar handtas heeft een eigen stoel. Dat is me iets teveel op de vroege
ochtend.
“Mevrouw?” Geen reactie, de muziek die uit haar oordopjes komt is voor de rest van de trein letterlijk te volgen dus dat is geen wonder. Ik tik op haar schouder.
“Mevrouw?” Geïrriteerd zet ze haar muziek op pauze.
“Is er iets?”
“Mag ik hier zitten?” Die had ze niet zien aankomen. Schijnbaar is het zeer bijzonder dat mensen graag zitten op de plek waar jou handtas staat.
“Mijn tas staat er toch?”
“Nou ik denk dat tassen geen eigen stoel hoeven te hebben hoor mevrouw” zeg ik, de recalcitrante rotstudent, die zomaar ineens denkt dat haar rechten boven die van een handtas staan. Belachelijk!
“Dat is een dure tas hoor.” Ze wijst op het Louis Vuitton logo.
“Daar heb ik bijzonder weinig boodschap aan mevrouw, daarnaast, als het zo’n dure tas is raad ik u al helemaal aan om hem op schoot te nemen.” Inmiddels heb ik wat medestanders gekregen in de rij achter me en wordt er instemmend gemompeld.
“Mensen gunnen elkaar ook niks meer hè” zegt de mevrouw achter me en ik krijg een bemoedigend schouderklopje. De revolutie is hier en nu begonnen. Che Guevara zou trots op me zijn. De handtas wordt gelaten op schoot genomen en ik geef de stoel aan de vrouw die achter me stond. Want als nieuwbakken revolutionair moet je uiteraard wel de liefde van het volk behouden. De vrouw gaat zitten en bedankt me drie keer. De handtas mevrouw heeft haar muziek weer keihard aangezet en wordt berispend toegesproken door mijn nieuwe kameradin in de strijd.
“Mevrouw, daar gaan uw oren van naar zijn grootje en dat is schade die u nooit meer kunt herstellen, daarnaast kan de hele trein meegenieten.” Iedereen achter me knikt en ik knik ook daadkrachtig, zoals het een echte leider betaamd. Goedzo kameradin, de oorlog tegen de onfatsoenlijke forens is begonnen. Morrend draait de mevrouw haar muziek wat zachter en daardoor hoor ik een ander muziekje afgaan. Mijn mobiel.
“Sorry mam, ik bel je later even terug, ik sta nu in de trein.” Om mij heen wordt met afschuw gereageerd.
“Die studenten van tegenwoordig hebben nergens meer respect voor. Gedragen zich alsof de wereld van hen is. Het is toch te gek voor woorden. En dat van onze belastingcenten!” Mijn volgelingen keren zich tegen me en de revolutie is voorbij. Ik wil een auto.
“Mevrouw?” Geen reactie, de muziek die uit haar oordopjes komt is voor de rest van de trein letterlijk te volgen dus dat is geen wonder. Ik tik op haar schouder.
“Mevrouw?” Geïrriteerd zet ze haar muziek op pauze.
“Is er iets?”
“Mag ik hier zitten?” Die had ze niet zien aankomen. Schijnbaar is het zeer bijzonder dat mensen graag zitten op de plek waar jou handtas staat.
“Mijn tas staat er toch?”
“Nou ik denk dat tassen geen eigen stoel hoeven te hebben hoor mevrouw” zeg ik, de recalcitrante rotstudent, die zomaar ineens denkt dat haar rechten boven die van een handtas staan. Belachelijk!
“Dat is een dure tas hoor.” Ze wijst op het Louis Vuitton logo.
“Daar heb ik bijzonder weinig boodschap aan mevrouw, daarnaast, als het zo’n dure tas is raad ik u al helemaal aan om hem op schoot te nemen.” Inmiddels heb ik wat medestanders gekregen in de rij achter me en wordt er instemmend gemompeld.
“Mensen gunnen elkaar ook niks meer hè” zegt de mevrouw achter me en ik krijg een bemoedigend schouderklopje. De revolutie is hier en nu begonnen. Che Guevara zou trots op me zijn. De handtas wordt gelaten op schoot genomen en ik geef de stoel aan de vrouw die achter me stond. Want als nieuwbakken revolutionair moet je uiteraard wel de liefde van het volk behouden. De vrouw gaat zitten en bedankt me drie keer. De handtas mevrouw heeft haar muziek weer keihard aangezet en wordt berispend toegesproken door mijn nieuwe kameradin in de strijd.
“Mevrouw, daar gaan uw oren van naar zijn grootje en dat is schade die u nooit meer kunt herstellen, daarnaast kan de hele trein meegenieten.” Iedereen achter me knikt en ik knik ook daadkrachtig, zoals het een echte leider betaamd. Goedzo kameradin, de oorlog tegen de onfatsoenlijke forens is begonnen. Morrend draait de mevrouw haar muziek wat zachter en daardoor hoor ik een ander muziekje afgaan. Mijn mobiel.
“Sorry mam, ik bel je later even terug, ik sta nu in de trein.” Om mij heen wordt met afschuw gereageerd.
“Die studenten van tegenwoordig hebben nergens meer respect voor. Gedragen zich alsof de wereld van hen is. Het is toch te gek voor woorden. En dat van onze belastingcenten!” Mijn volgelingen keren zich tegen me en de revolutie is voorbij. Ik wil een auto.
