zondag 21 augustus 2011

Quatorze Juillet


Het was vijf uur ’s middags en de trein was volgepakt met dagjesmensen en forenzen. Ik wist een plekje te bemachtigen naast een klein jongetje. Hij keek afwezig uit het raam, een rugzak in de vorm van een beer lag op zijn schoot. Normaal ben ik niet zo van de treingepsrekken, maar het jongetje leek nogal verloren dus ik besloot de moeder Theresa in mij te laten spreken.
“Ben jij helemaal alleen op reis?” vroeg ik. Hij keek verstoord op en schudde zijn hoofd.
“Nee, ik ben met mijn vader, maar die is druk.” De vader in kwestie was de man die tegenover ons zat. Hij had een lange baard die naadloos overging in lang vlassig haar. Een rond brilletje, type ‘interessante intellectueel’, stond op zijn neus. Op zijn schoot stond een enorme laptop waar hij fanatiek op aan het typen was. De man had blijkbaar niet door dat iemand een gesprek had aangeknoopt met zijn zoontje want zijn ogen weken geen moment van het scherm.
“Dat zie ik” zei ik en daarmee zei ik blijkbaar iets goeds. Hij rukte zijn ogen los van het raam en keek me aan.
“Ik ben David, en mijn vader is schrijver” hij was er overduidelijk trots op.
“Hij schrijft boeken” voegde hij eraan toe, voor het geval ik het nog niet helemaal begrepen had.
“Ik ben Laura” zeg ik en David steekt mij zijn hand toe. We schudden elkaar de hand. David kijkt ernstig, alsof bij deze een levenslange vriendschap is gesloten.
“Wat voor een boeken schrijft je vader?” vraag ik. Ik heb een licht vermoeden maar wil mijn nieuwe beste vriend niet beledigen.
“Toverboeken.” Zegt David. Ik had gelijk.
“Fantasy David, fantasyboeken. Geen toverboeken. Toverboeken zijn voor kinderen. Mijn boeken zijn volwassenen.” David kijkt beteuterd en raakt daarmee bij mij een snaar.
“Wordt er niet getoverd in uw boeken?”Vraag ik semigeïnteresseerd.  Vader de schrijver lijkt gestoord in zijn werk en kijkt over zijn scherm heen.
“Jawel, maar volgens de wetten van de natuur, niet volgens de wetten van J.K. Rowling.”
“Want, dat is uiteraard veel realistischer.”  Intellectueel á la, maar toveren blijft toveren natuurlijk.
“Ik verwacht niet dat jij het begrijpt jongedame. Schrijver is een apart vak.” Hij kijkt me misprijzend aan en zijn ogen gaan weer terug naar zijn beeldscherm. David prutst aan zijn rugzak en probeert te doen alsof hij niet bestaat. Om meteen het vak van schrijver aan knorrige mannen met brilletjes en baardhaar te plakken vind ik drastisch en ik besluit op de bres te springen voor alle geschoren schrijvers met een goed humeur.
“Het vak van schrijver is inderdaad apart, zeer divers ook.” De vader van David slikt mijn uitdaging als zoete koek en klapt zijn beeldscherm dicht.
“En wat weet jij daarvan?” Hij kijkt nu ronduit geïrriteerd.
“Ik schrijf columns” zeg ik. Hetgeen niet helemaal waar is, maar ach, een leugentje voor het hogere doel gaat niemand dood aan. Alleen hebben mijn columns helaas niet de impact die ik gehoopt had.
“Columns!” Gnuift hij.
“Columns zijn voor fantasieloze gefrustreerde feministen die niks beleven en daar toch heel veel over schrijven. Zo onorigineel.” Persoonlijk vind ik het altijd een hele kunst om heel veel te schrijven over helemaal niks, maar ik begrijp dat dit zeer subjectief is. Minder subjectief is het ‘onorigineel’ deel.
“Pardon, maar u zei net dat u fantasy boeken schrijft?” Hij knikt.
“Laat me raden. Uw verhaal speelt zich af in een verzonnen koninkrijk, de held of heldin is een onbekende boerenjongen die niet veel van de wereld weet maar plotseling een hele belangrijke taak krijgt die hij moet uitvoeren. Ineens raakt hij verzeilt in de politiek van het land en moet hij vechten met een boze tovenaar, boze dwergen, vampiers of gefrustreerde weervolven. Uiteindelijk wint hij en blijkt hij tevens de langverloren zoon van de Koning te zijn.” David moet hard lachen.
“Ja papa dat is het toch? Daar ging het toch over?” Papa is niet zo geamuseerd.
“Nee, het gaat over het eeuwige conflict tussen orcs en elven.”
“Aah, orcs en elven. Wat bijzonder. Daar is nou nog nóóit wat over geschreven. En laat me raden, de orcs zijn zeker slecht?” Hij knikt en klapt zijn beeldscherm weer open.
“Het is zo oneerlijk.” Ik ben nu inmiddels lekker op dreef.
“De enige reden dat orcs altijd de slechterik zijn is omdat ze dom en lelijk zijn. Maar als schrijver kun je daar toch iets aan doen? Ik zou het echt toejuichen als er een schrijver was die zich zou inzetten voor orcwelzijn. Weg met die knuppels en wratten. De orc als held, de verguisde soort die eindelijk zijn  opmars maakt naar literaire glorie. Weg met de arrogante elven en zelfingenomen hobbit. Het is tijd voor de anti-held revolutie.” Mijn enthousiaste publiek (David) klapt van opwinding maar dat is van korte duur. Bruusk stopt vader zijn laptop weg en pakt zoonlief bij de pols.
“Kom David, wij moeten er hier uit.” Het duurt nog minstens tien minuten voordat we bij het volgende station komen en ik zwaai tevreden naar David. Hopelijk valt hij zijn vader de hele avond lastig met zielige trollen.