Pokemon Retro
De trein staat stil in Arnhem. Het is druk en er ploft een
jongen naast me neer. Zijn muziek staat te hard, zijn stekeltjeshaar is
waarschijnlijk ook keihard en de Vitessesjaal om zijn nek laat zijn harde
devotie aan de club zien. Ik besluit daarom maar niet te vragen of hij de
trancemuziek wat zachter wil zetten maar richt me weer op mijn gameboy. Ik heb
namelijk een gameboy. Hij is enorm groot, paars, werkt nog op batterijen en er
zitten tenminste eenvoudige spelletjes op. De trein vertrekt en ik ben ook weer
vertrokken, in diepe concentratie staar ik naar mijn scherm.
“Wat doet u?” Hoor ik opeens naast me.
De jongen kijkt me aan. De oordopjes zitten nog steeds in zijn oren dus ik
betwijfel of antwoorden zin heeft.
“Dat zie je toch?” Zeg ik stoer.
“Nee maar welk spel doet u?” Pijnlijke vraag. En daarnaast is ook dat wel duidelijk. Op mijn scherm krijgt mijn tien pixel poppetje net zijn kersverse Charmander van Professor Oak.
“Pokemon” zeg ik wat minder stoer.
“Vet man, Sniffy, Tupac of Osjaawhatt?"
“Sorry?”
“Welke startpokemon?”
“Charmander, mag dat ook?” Hij kijkt me verbaast aan en doet zelfs een oordopje uit.
“Bestaat die dan?”
“Nou in de jaren ’90 nog wel, daar komt het namelijk ook vandaan”
“Wauw, vet retro man.” Hij kijkt bewonderend naar mijn antieke spelcomputer. Ik voel me heel erg oud, ondanks het feit dat ik degene ben die met een spelletje in de trein zit.
“Chicks die gamen zijn geil.”
“Sorry?” Die had ik dan weer even niet zien aankomen.
“Chicks die gamen zijn geil, alhoewel, u bent natuurlijk niet echt meer een chick.” Ik ben niet echt meer een chick. De generatie kinderen die moest kiezen tussen Bulbasaur, Charmander en Squirtle (en daar perfect tevreden mee was) is het dude- en chickschap ontstegen. We zijn meneren en mevrouwen die op ouderwetse spelcomputers in treinen spelletjes mogen spelen omdat het retro is. Mijn generatie is retro. Even wenste ik dat ik niet in de trein zat, maar er in een aantal stukken onder lag. Vooral mijn gezicht, zodat de plotseling ontstane rimpels niet meer te onderscheiden zijn door de lijkschouwer.
“Oh okee.” Iets beters weet ik niet uit te brengen. De jongen doet zijn oordopjes weer in en trancemuziek vult het treinstel. Volgens mij krijg ik een quarterlife crisis.
“Dat zie je toch?” Zeg ik stoer.
“Nee maar welk spel doet u?” Pijnlijke vraag. En daarnaast is ook dat wel duidelijk. Op mijn scherm krijgt mijn tien pixel poppetje net zijn kersverse Charmander van Professor Oak.
“Pokemon” zeg ik wat minder stoer.
“Vet man, Sniffy, Tupac of Osjaawhatt?"
“Sorry?”
“Welke startpokemon?”
“Charmander, mag dat ook?” Hij kijkt me verbaast aan en doet zelfs een oordopje uit.
“Bestaat die dan?”
“Nou in de jaren ’90 nog wel, daar komt het namelijk ook vandaan”
“Wauw, vet retro man.” Hij kijkt bewonderend naar mijn antieke spelcomputer. Ik voel me heel erg oud, ondanks het feit dat ik degene ben die met een spelletje in de trein zit.
“Chicks die gamen zijn geil.”
“Sorry?” Die had ik dan weer even niet zien aankomen.
“Chicks die gamen zijn geil, alhoewel, u bent natuurlijk niet echt meer een chick.” Ik ben niet echt meer een chick. De generatie kinderen die moest kiezen tussen Bulbasaur, Charmander en Squirtle (en daar perfect tevreden mee was) is het dude- en chickschap ontstegen. We zijn meneren en mevrouwen die op ouderwetse spelcomputers in treinen spelletjes mogen spelen omdat het retro is. Mijn generatie is retro. Even wenste ik dat ik niet in de trein zat, maar er in een aantal stukken onder lag. Vooral mijn gezicht, zodat de plotseling ontstane rimpels niet meer te onderscheiden zijn door de lijkschouwer.
“Oh okee.” Iets beters weet ik niet uit te brengen. De jongen doet zijn oordopjes weer in en trancemuziek vult het treinstel. Volgens mij krijg ik een quarterlife crisis.
