maandag 27 februari 2012

Een frisse kijk op het strafrecht


Ik sta naast Ruud. Ruud heeft een witte V-hals aan en zijn stekeltjes zijn met een laag gel plat tegen zijn hoofd geplakt. We kijken naar het podium en zo nu en dan lispelt hij iets in mijn oor. Negen van de tien keer kan ik het niet verstaan, Spinvis knalt genadeloos door de speakers. Maar ik knik gewoon en dat vindt hij genoeg. Ik ben druk bezig met foto’s maken als de band even stil valt. Ruud grijpt zijn kans.
“Je lijkt helemaal niet op een rechtenstudent”. Ik kijk opzij.
“Jij lijkt sowieso niet op een student. Laat staan een bedrijfskundestudent.” Ruud schijnt dit niet als onaardig op te vatten en hij moet lachen. Ik overweeg of ik hem moet vertellen dat hij eruit ziet alsof hij zo van de tractor in Bemmel getrokken is.
“Stel nou dat ik straks met mijn dronken kop op de fiets stap en aangehouden word, kan ik jou dan bellen?” Inmiddels heeft hij een arm om mijn schouders gewurmd, waar ik snel onderuit duik.
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Omdat ik bijzonder weinig voor je kan doen op dat moment, als ik dat al gewild zou hebben. Openbaar dronkenschap is namelijk strafbaar.” Hij moet lachen, en legt opnieuw zijn arm om mijn schouders. Ik duik weer weg.
“Kan ik dan niet gewoon zeggen dat ik ontoerekeningsvatbaar ben omdat ik teveel gedronken heb?”
“Zo werkt dat niet met overtredingen.”
“Ja maar dat is oneerlijk.” Ik ben tegenover hem gaan staan.
“Wie zegt dat recht eerlijk is?” Daar moet hij even over nadenken.
“Ja maar dat is echt raar! Het recht hoort toch eerlijk te zijn? Ik kan er niets aan doen dat ik straks naar huis moet fietsen. Wat moet ik anders doen? Hier slapen?”
“Recht hoeft niet per se rechtvaardig te zijn hè. Dat zijn twee totaal verschillende dingen. Daarnaast had je natuurlijk ook gewoon een stuk minder kunnen drinken.” Dit gaat hem te ver. Er staan diepe rimpels in zijn voorhoofd en hij stoot een vriend aan.
“Zij” zegt hij terwijl hij naar mij wijst. De vriend rolt zijn ogen en knikt. Hij drinkt cola.
“Zij is superslim.” De vriend moet lachen.
“Of ze drinkt wat minder.”
“Dat ook.” Ik gebruik dit moment om een ontsnappingspoging te doen en gebaar dat ik terug naar mijn eigen vrienden ga.
“Wacht, mag ik je nummer? Mocht ik ooit in aanraking komen met strafrecht? Voor een beetje ‘juridisch advies’ of een kleine demonstratie met handboeien?” Wordt er op luide toon achter me aan gelispeld. Hij kijkt er heel tevreden bij. De vriend wendt zijn ogen af. Ik besluit maar niet te antwoorden en doe alsof ik hem niet versta. En ga misschien maar iets veiligers studeren.

woensdag 22 februari 2012

144 redt ook mijn dier

“Hallo, spreek ik met 144 redt een dier?” 
“Jazeker meneer daar spreekt u mee, met wie heb ik het genoegen?”
“Evert Ingo Antonius van der Vet, ik wilde graag een klacht indienen.”
“Nou officieel zijn we niet echt een klachtenlijn natuurlijk..”
“Maar ik ben een hamster.”
“Oh neem mij niet kwalijk, ik ben een en al oor. Dierenwelzijn staat bij ons ver boven het vaandel, om het zo maar eventjes uit te drukken.”
 “Ja dat zal allemaal wel, zeg ik bel vanwege een grove inbreuk op het recht van mijn baasje.”
“Ach nee wat verschrikkelijk. Kunt u mij vertellen wat uw baasje u aangedaan heeft of is het te pijnlijk om erover te praten?”
“Het is ongelooflijk pijnlijk, maar ik moet het toch aan iemand kwijt en ik wist niet waar ik anders terecht moest dan bij u.”
“Via de reclame zeker?”
“Ja via de reclame, ook al ging die niet echt over zielige hamsters. De Albert Heijn reclame wel, maar toen ik de Albert Heijn belde konden ze me helaas niet helpen dus werd ik doorverwezen naar u.”
“Het is ons niet vreemd dat we verwijzingen krijgen uit vreemde hoeken nee, soms weet je niet waar je moet zoeken.”
“Maar waar ik over belde. Mijn baasje schrijft blogs over haar leven, waar ik uiteraard een groot deel van uit maak, en haalt haar inspiratie voornamelijk uit mijn bestaan.”
“Dat klinkt vooralsnog minder ernstig dan ik had verwacht. En ze slaat u niet? En voert u op gezette tijden?”
“Ze voert me meer dan ik kan bolwerken en godzijdank heeft ze me nog nooit geslagen, dat moest er nog eens bijkomen! Nee, het is erger dan dat. Ze geeft mij geen credits voor mijn werk. Ik leef en leef maar een beetje in mijn kooi, haar inspiratie gevend, en vervolgens gaat zij er vandoor met de eer! De vuile leugenachtige dief.”
“Mijn god, dat is inderdaad erg ernstig. We zullen direct een man of vijf langssturen. Mag ik het adres noteren? Dan komen we u zo snel mogelijk halen. Het dichtstbijzijnde asiel is in Malden dus u hoeft maar eventjes de auto in. Dan volgt het gesprek met slachtofferhulp onder leiding van Martin Gauss en dan kunt u door naar de langdurige groepstherapiefase met andere kleine knaagdieren en pluimvee.”
“Het asiel zei u?”
“Ja het asiel, we kunnen u natuurlijk niet laten zitten in deze penibele situatie.”
“Oh, maar dan gaat mijn baasje wel mee toch?”
“Nee, zeker niet. Die belhamel zetten we vast op kantoor. Er hangt haar geen malse straf boven het hoofd, dat kan ik u wel vertellen. De boel een beetje lopen belazeren. We zullen haar leren!”
“Oh..”
“U klinkt lichtelijk onzeker?”
“Nou ik dacht dat een sessie mediation wellicht ook voldoende was?”
“Mediation? Voor dit soort gedrag hebben ze gevangenissen uitgevonden in Nederland meneer van der Vet!”
“Oh..”
“Dus kan ik uw adres noteren?”
“Misschien is het beter als ik er nog een nachtje over slaap. Ik bedoel, ze geeft me wel eten en ze slaat me niet?”
“Maar uw klacht dan?”
“Ja maar dan kom ik in het asiel, en wie weet wat voor een randmalloot me dan op komt halen. Of nog erger, een verantwoordelijke dierenliefhebber, die me nooit pinda’s voert omdat ik dan te dik word. Nee daar pas ik voor.”
“Het is uw keuze meneer van der Vet. Hier in Nederland staan we dankzij dit kabinet 24 uur per dag klaar voor dierenleed, ook het uwe.”
“Ik denk dat ik er nog maar een nachtje over slaap. Bemiddeling zou ook zomaar de truc kunnen zijn. Of een goed gesprek. In ieder geval bedankt voor de moeite!”
“Geen probleem meneer van der Vet, sterkte ermee.”
“Goedenavond.”

maandag 20 februari 2012

Evert haat carnaval



Kostuums passen hem nooit.

dinsdag 14 februari 2012

Vrekkig knaagdier

Ik wilde een heel optimisch verhaal over Valentijn schrijven. Leve de liefde, wilde ik schreeuwen, maar iets hield (en houdt) me tegen. En dat 'iets' is zeker niet de commercialisering van Valentijn, dat vind ik zo'n onzin. Er is niets zo commercieel als de liefde, laten we ons daar nou een keertje bij neerleggen. Waarom zou dit in godsnaam op een dag als Valentijn anders zijn? De zure karren die het hardst roepen dat ze de 14e hard naar hun schuilkelders rennen zitten in werkelijkheid als eerste onder de brievenbus, te wachten op stapels liefdesverklaringen.
Nee, eigenlijk houdt een jarenlange aanhoudende teleurstelling me tegen de romantiek te willen bezingen. Wellicht is het kinderachtig maar stiekem hoopte ik altijd op een ontroerende filmische liefdesverklaring van een geheime minnaar, of een spontane romantische date. Niets uit eten of een enkele roos, een dikke jas aan en picknicken in de Ooijpolder, dat is pas origineel. Niet dat ik een tegenstander ben van het ouderwetse kaartje. Maar gek genoeg zijn het altijd andere mensen die dit soort dingen meemaken, nooit de mensen dicht bij mij in de buurt, laat staan ikzelf. Nou willen de meeste Valentijnspessimisten niet toegeven dat de achterliggende reden van hun haat ligt bij het feit dat ze zelf nooit een lelijke beer of een mok met een leus hebben mogen ontvangen. Ik durf dat best toe te geven, kom maar op met de sleutelhangers en hartjeskoelkastmagneten. Maar nee, zelfs de enige man in mijn leven doet niet mee aan deze kapitalistische uiting van vermaak. Evert doet al de hele dag of zijn neus bloedt terwijl hij door zijn kooi scharrelt, maar ik weet beter. Hij weet dondersgoed dat hij eigenlijk een roos voor me had moeten kopen. Het vrekkige knaagdier.
Op facebook wordt de tussenstand door enthousiaste Valentijnsfanatici per uur ge-update, maar bij mij blijft de brievenbus leeg. Dus ik besluit mezelf te verschansen voor de tv met van die vieze maar toch lekkere suikerhartjes en 'Four weddings and a funeral' te kijken. Als je eigen liefdesleven non existent is kun je maar beter genieten van andermans ellende.

maandag 13 februari 2012

Wie lust er bitterballen?

Meneer Wilders zit altijd in een kooi die lijkt op het onderkomen van zijn baasje. Slecht onderhouden, met onduidbare vlekken en de muffe geur van te lang niet geluchte studentenkamer. Bij mensen is dat vervelend, maar bij hamsters is dat nog veel vervelender, want die stinken pas echt gruwelijk na een week. Zijn voerbakje is op regelmatige basis leeg, omdat zijn student op regelmatige basis zijn zorgen verdrinkt in de kroeg met zijn jaarclub. Naast zijn zorgen, vergeet hij dan meestal ook de rest van zijn verantwoordelijkheden.
Niet dat hij meneer Wilders onder zijn verantwoordelijkheden schaart. De hamster was een cadeautje van zijn jaarclub. Ze hadden het beest in een kartonnen doosje op tafel gezet en gewacht totdat het zelf zijn weg door het pakje heen had geknaagd. De semi-intellectuele naam maakte de feestvreugde compleet. Daarna volgde joviale schouderkloppen en veel bier.
“Heb je in ieder geval iemand die in deze teringbende wil slapen, homo!”  Riepen ze. Meneer Wilders werd tijdelijk in een oud aquarium geparkeerd. Vorig jaar had hij vissen gekregen, maar die hadden het helaas niet overleefd. De hamster leek dat te voelen, zenuwachtig drentelde hij heen en weer. Maar dat kon ook komen omdat zijn vrienden inmiddels het aquarium weer aan het vullen waren, met bier.
“Eens kijken of hij net zo goed kan zwemmen als je vissen!”  Daar had hij een einde aan gemaakt, hij moest meer voor zichzelf opkomen zei zijn therapeut.
“Nou jongens, niet doen. Laten we naar de stad gaan.”  Dat deden ze, meneer Wilders achterlatend in zijn voetenbad van gerstenat.
Toch had zijn student een kooi voor hem gekocht, op marktplaats, van een echtpaar om dat om de hoek woonde. Hij had zaagsel in de bak gekieperd en meneer Wilders vermaakte zich wel, hij had er maar weinig last van, en het is een goed verhaal om te vertellen tegen meisjes. Hij heeft een hamster, hij is een dierenvriend, en tevens een tietenvriend, maar dat is iets voor later op de avond.  Als hij dan daadwerkelijk iemand mee naar huis heeft weten te krijgen kijken ze vaak meer naar meneer Wilders dan naar hem, maar hij houdt goede hoop dat zijn truc ooit zal werken.
Maar vanavond is het feest. Een huisfeest. Meneer Wilders staat bovenop de kast, zodat niemand meer bier in zijn kooi kan gooien. Die is al ranzig genoeg. Zijn jaarclubgenoten stommelen door het huis en roepen dingen die niemand verstaat. Hij moet lachen en roept ook dingen.
“He homo’s! Wie lust er bitterballen?”  Iedereen lust bitterballen. Terwijl hij de frituurpan op het aanrecht zet komt een van zijn vrienden aan met de kooi. Meneer Wilders kijkt verwilderd om zich heen door alle commotie.
“Kunnen we die rat van jou niet frituren? Dat beest valt toch niet op tussen die bitterballen!”  Iedereen lacht en klapt. De student twijfelt. Meneer Wilders twijfelt niet en rent rondjes in de kooi, die woest heen en weer geschud wordt.
“Jongeh, je bent toch geen homo ofzo.”  Dat is hij niet. Het is ook eigenlijk best grappig. En zo’n beest heeft toch geen emotie. Meneer Wilders trappelt hevig als hij hem uit zijn kooi trekt, hij is er niet aan gewend om vastgehouden te worden. In paniek zet hij zijn tanden in het vlees van de vinger van de student.
“GODVER!”  Met een boogje flikkert hij meneer Wilders in de kokende olie. Zijn haren verschrompelen en in een oogwenk is de hamster onherkenbaar. Een verschrompelde naakte embryo met uitgekookte oogjes die verbaast naar boven kijken. Beneden gaat de deurbel en een van zijn huisgenoten doet open.
“Zo jongens, er is hier een feestje aan de gang zo te horen? De buurt heeft geklaagd. Jullie vinden het vast niet erg als wij even binnen komen kijken”  zegt een agent. De student hoort voeten op de trap en kijkt weer in de frituurpan. Meneer Wilders drijft gezapig in het woelige vet en zijn jaarclub heeft de bitterballen er ook maar in gedaan.
“Dat is toch allemaal hetzelfde, slachtafval”  grappen ze. 


donderdag 2 februari 2012

Fudge het zumbameisje

Je hebt sportkaartmeisjes en zumbameisjes. Sportkaartmeisjes zijn allemaal strak en athletisch, dragen een bijpassende strakke sportlegging en een strakke sporttop. Dit soort meisjes volgt elke cursus en ticketuur dat het sportcentrum te bieden heeft, want met hun lichaam en gevoel voor sportschoolmode schitteren ze toch wel in elke cardiokrachtgrafischecombinatiemodustraining.
En dan zijn er zumbameisjes. Ook zij dragen een strakke sportlegging en een strakke sporttop, maar als ze mij van te voren hadden gevraagd of dat een verstandige keuze was geweest dan had ik waarschijnlijk subtiel maar beslist negatief geantwoord. Ze doen dan ook alleen sporten als zumba, aangezien dat stiekem toch eigenlijk niet zo zwaar is als alle andere sporten (met een beetje smokkelwerk), maar toch hun schuldgevoel kunnen temperen. Ze hebben immers toch maar weer mooi een uurtje bewogen.
Ik sta in multizaal 1 (multi wil zeggen dat er niks in staat. Zodat je er multi dingen kunt doen. Zoals steps. Of body work out. Of zumba. Heel multi), omringd door sportkaartmeisjes. Op het meisje schuin voor me na. Ik weet wie ze is, want ik zat vorig jaar regelmatig een bank achter haar in college. Ik schiep er altijd ongelooflijk veel genoegen in om te luisteren naar haar luide verhalen over hoezeer ze de meeste mannen haatte en hoe kieskeurig ze wel niet was. Tijdens die tirades at ze standaard fudge, uit een plastic zakje, van de V&D. Het tempo waarmee ze de fudge wegwerkte deed vermoeden dat ze niet een zakje per week verorberde, en haar broekmaat gaf het ook wel een beetje weg. Aan het eind van het college was er niets meer van over en haar vriendinnen hadden geen enkel stukje gehad. Omdat ik en mijn vriendinnen haar naam niet wisten, noemden we haar dan ook Fudge.
Maar van het tierende meisje dat normaal voor me zat in college is weinig over tijdens zumba. Na een minuut is ze van top tot teen bezweet en kijkt ze naarstig naar de docent. Niet in de spiegels. Vooral niet in de spiegels. En plotseling krijg ik medelijden met haar. Want ik had mezelf ook niet van drie kanten willen bekijken als ik haar maat en kleren aanhad, in spiegels en confronterend tl-buizen licht. Zeker niet als ik omringt was door sportkaartmeisjes. Waarom Fudge dan ook per se een sportlegging aan moest doen is me een raadsel en ik vraag me af waarom sportleggings nog in die maat gemaakt worden. Het is hetzelfde als met bikini’s, boven een bepaalde maat moet je die gewoon niet meer verkopen, om te voorkomen dat meisjes als Fudge toch besluiten ze te kopen en er dan te laat achter komen dat het eigenlijk geen goed idee is om ze aan te doen.
Het duurt niet lang of Fudge is het spoor bijster tussen alle pasjes, en een vijftig minuten durende marteling begint. Ik krijg het benauwd als ik naar haar gezicht kijk. Knalrood, en de zweetdruppels druipen in kleine watervalletjes naar haar rug. Om haar heen dansen de sportkaartmeisjes de sterren van de hemel en ik vraag me af of het tranen in haar ogen zijn, of zweet dat van haar hoofd gedropen komt.
Als we in de kleedkamer zitten zie ik dat Fudge alleen is gekomen. Ze durft niet te douchen dus gooit een trui over haar hoofd. Met een zakdoek maakt ze haar gezicht droog en blijft kort zitten met haar hoofd tussen haar handen. Normaal zou ik er niet warm of koud van worden, maar ergens knaagt er iets in me. Ik weet dat ze zo meteen naar huis gaat, alleen. Daar gaat douchen omdat ze zich schaamt voor haar enorme lichaam. Alleen op de bank ploft, met een zakje fudge, en de hele avond TLC kijkt. Waar allemaal hele slanke mooie opgespoten botox vrouwen haar gaan vertellen hoe belangrijk is er mooi uit te zien, en dat we echt allemaal wel kunnen afvallen. Als we het maar echt willen. En als we maar eerst een ‘tummytuck’  laten doen bij de plastisch chirurg, dan is het ergste tenminste weg. Maar meisjes als Fudge lukt het natuurlijk nooit, en dat snapt Fudge zelf ook wel, waarna ze nog maar weer eens een zakje fudge naar binnen werkt om het eenzame gevoel weg te eten. Als ze uiteindelijk moe van het eten in bed gaat liggen kan ze alleen nog maar huilen omdat ze zich schuldig voelt. Schuldig en ongelukkig. Want ze heeft dan wel een uurtje gesport, ze heeft die verbrande calorieën er met kilo’s weer aan gegeten, en al die keren dat ze in college heeft geroepen dat ze zo kieskeurig is en dat jongens meestal stom zijn, probeerde ze alleen maar te zeggen dat ze ongelooflijk eenzaam is.
Even heb ik de neiging om op te staan van mijn bank in de kleedkamer en een arm om haar heen te slaan. Gewoon om te zeggen dat ze niet alleen is. Maar ze staat op, slaat haar tas om haar schouders en wandelt snel de deur uit. Naast mij kijken alle sportkaartmeisjes haar misprijzend na.
“Ja ze komt elke week, je snapt het toch niet. Ik zou me doodschamen als ik er zo uitzag”  zegt het meisje dat het dichtst bij mij zit.
“Nou ik denk dat zij het van ons allemaal het hardste nodig heeft”  zeg ik. Maar dat wordt niet helemaal goed opgevat, iedereen begint keihard te lachen.
“Ja inderdaad, met haar figuur wel ja!”