Een frisse kijk op het strafrecht
Ik sta naast Ruud. Ruud heeft een witte V-hals aan en zijn stekeltjes zijn met een laag gel plat tegen zijn hoofd geplakt. We kijken naar het podium en zo nu en dan lispelt hij iets in mijn oor. Negen van de tien keer kan ik het niet verstaan, Spinvis knalt genadeloos door de speakers. Maar ik knik gewoon en dat vindt hij genoeg. Ik ben druk bezig met foto’s maken als de band even stil valt. Ruud grijpt zijn kans.
“Je lijkt helemaal niet op een rechtenstudent”. Ik kijk opzij.
“Jij lijkt sowieso niet op een student. Laat staan een bedrijfskundestudent.” Ruud schijnt dit niet als onaardig op te vatten en hij moet lachen. Ik overweeg of ik hem moet vertellen dat hij eruit ziet alsof hij zo van de tractor in Bemmel getrokken is.
“Stel nou dat ik straks met mijn dronken kop op de fiets stap en aangehouden word, kan ik jou dan bellen?” Inmiddels heeft hij een arm om mijn schouders gewurmd, waar ik snel onderuit duik.
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Omdat ik bijzonder weinig voor je kan doen op dat moment, als ik dat al gewild zou hebben. Openbaar dronkenschap is namelijk strafbaar.” Hij moet lachen, en legt opnieuw zijn arm om mijn schouders. Ik duik weer weg.
“Kan ik dan niet gewoon zeggen dat ik ontoerekeningsvatbaar ben omdat ik teveel gedronken heb?”
“Zo werkt dat niet met overtredingen.”
“Ja maar dat is oneerlijk.” Ik ben tegenover hem gaan staan.
“Wie zegt dat recht eerlijk is?” Daar moet hij even over nadenken.
“Ja maar dat is echt raar! Het recht hoort toch eerlijk te zijn? Ik kan er niets aan doen dat ik straks naar huis moet fietsen. Wat moet ik anders doen? Hier slapen?”
“Recht hoeft niet per se rechtvaardig te zijn hè. Dat zijn twee totaal verschillende dingen. Daarnaast had je natuurlijk ook gewoon een stuk minder kunnen drinken.” Dit gaat hem te ver. Er staan diepe rimpels in zijn voorhoofd en hij stoot een vriend aan.
“Zij” zegt hij terwijl hij naar mij wijst. De vriend rolt zijn ogen en knikt. Hij drinkt cola.
“Zij is superslim.” De vriend moet lachen.
“Of ze drinkt wat minder.”
“Dat ook.” Ik gebruik dit moment om een ontsnappingspoging te doen en gebaar dat ik terug naar mijn eigen vrienden ga.
“Wacht, mag ik je nummer? Mocht ik ooit in aanraking komen met strafrecht? Voor een beetje ‘juridisch advies’ of een kleine demonstratie met handboeien?” Wordt er op luide toon achter me aan gelispeld. Hij kijkt er heel tevreden bij. De vriend wendt zijn ogen af. Ik besluit maar niet te antwoorden en doe alsof ik hem niet versta. En ga misschien maar iets veiligers studeren.
“Je lijkt helemaal niet op een rechtenstudent”. Ik kijk opzij.
“Jij lijkt sowieso niet op een student. Laat staan een bedrijfskundestudent.” Ruud schijnt dit niet als onaardig op te vatten en hij moet lachen. Ik overweeg of ik hem moet vertellen dat hij eruit ziet alsof hij zo van de tractor in Bemmel getrokken is.
“Stel nou dat ik straks met mijn dronken kop op de fiets stap en aangehouden word, kan ik jou dan bellen?” Inmiddels heeft hij een arm om mijn schouders gewurmd, waar ik snel onderuit duik.
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Omdat ik bijzonder weinig voor je kan doen op dat moment, als ik dat al gewild zou hebben. Openbaar dronkenschap is namelijk strafbaar.” Hij moet lachen, en legt opnieuw zijn arm om mijn schouders. Ik duik weer weg.
“Kan ik dan niet gewoon zeggen dat ik ontoerekeningsvatbaar ben omdat ik teveel gedronken heb?”
“Zo werkt dat niet met overtredingen.”
“Ja maar dat is oneerlijk.” Ik ben tegenover hem gaan staan.
“Wie zegt dat recht eerlijk is?” Daar moet hij even over nadenken.
“Ja maar dat is echt raar! Het recht hoort toch eerlijk te zijn? Ik kan er niets aan doen dat ik straks naar huis moet fietsen. Wat moet ik anders doen? Hier slapen?”
“Recht hoeft niet per se rechtvaardig te zijn hè. Dat zijn twee totaal verschillende dingen. Daarnaast had je natuurlijk ook gewoon een stuk minder kunnen drinken.” Dit gaat hem te ver. Er staan diepe rimpels in zijn voorhoofd en hij stoot een vriend aan.
“Zij” zegt hij terwijl hij naar mij wijst. De vriend rolt zijn ogen en knikt. Hij drinkt cola.
“Zij is superslim.” De vriend moet lachen.
“Of ze drinkt wat minder.”
“Dat ook.” Ik gebruik dit moment om een ontsnappingspoging te doen en gebaar dat ik terug naar mijn eigen vrienden ga.
“Wacht, mag ik je nummer? Mocht ik ooit in aanraking komen met strafrecht? Voor een beetje ‘juridisch advies’ of een kleine demonstratie met handboeien?” Wordt er op luide toon achter me aan gelispeld. Hij kijkt er heel tevreden bij. De vriend wendt zijn ogen af. Ik besluit maar niet te antwoorden en doe alsof ik hem niet versta. En ga misschien maar iets veiligers studeren.
