(G)een pond sperziebonen
De mevrouw kijkt me verontwaardigd aan, haar bril balanceert gevaarlijk op het puntje van haar neus. Ze zet haar tas neer en met een grotesk gebaar haalt ze een bonnetje tevoorschijn. Op het bonnetje staan allemaal pennenstrepen en zo te zien een intensieve herberekening van de arbeid van de caissière. Ik probeer niet te zuchten en pak het bonnetje met mijn vriendelijkste glimlach aan.
“Zullen we er dan samen even naar kijken mevrouw? Een moment, ik pak het boekje met aanbiedingen er even bij” dat schijnt mevrouw een goed idee te vinden. Ze vindt het een nog beter idee nogmaals boos te worden.
“Ja ik heb het thuis allemaal nagerekend juffrouw, en het is niet de eerste keer hoor dat mij zoiets overkomt! Ik vind het schandelijk, schandelijk zeg ik u.” Ik knik geduldig.
“Ontzettend vervelend mevrouw, maar ik kan niets meer voor u doen dan het hier nogmaals even doorrekenen. In een bedrijf waar mensen werken worden nou eenmaal fouten gemaakt, daar doe je nou eenmaal niks aan.” De klanten achter de mevrouw knikken instemmend, een goed gevoel. Ik heb medestanders die begrip op brengen voor mijn situatie. Ondertussen heb ik een rekenmachine gepakt en ben met mijn aanbiedingenboekje in de aanslag de bon aan het nakijken.
Ze is secuur te werk gegaan, dat is zeker. Haar laatste boodschap is dubbel onderstreept. Ik veronderstel maar dat een dubbele streep betekend dat haar bij die boodschap zelfs dubbel onrecht is aangedaan door die nare caissière. Het gaat om sperziebonen. Ik vraag wat er mis is met de sperziebonen en het lijkt alsof ze aanstonds gaat ontploffen.
“Dit!” zegt ze terwijl ze met furore een zakje sperziebonen op de toonbank smijt “is echt geen pond sperziebonen. Dat is belachelijk. Ze heeft het dus verkeerd gewogen èn de korting er niet afgehaald!” Inderdaad, dubbel onrecht. ‘Ze’ wordt uitgesproken alsof het gaat om een uitermate onhygiënisch persoon. Of misdadig. Of beide.
Achter mevrouw begint de rij inmiddels behoorlijk te groeien. De klanten zijn gestopt met begripvol knikken, dat baart me zorgen. Er wordt op horloges gekeken en driftig met voeten getikt. Ik besluit dat het kasverschil van een paar euro geen bedrijfsschande zal zijn en wil mevrouw vijf euro en zesentwintig cent teruggeven. Ze kijkt alsof ik haar een zeer onzedelijk voorstel doe.
“Moet je die sperziebonen niet herwegen?”
“Nee mevrouw, vanwege het ongemak heb ik ze u gewoon voor de helft van de prijs gegeven, is dat geen goede oplossing?”
Nee, dat is blijkbaar geen goede oplossing. Mevrouw zet haar tas ferm op de grond en gooit haar hand in haar zij.
“Ben je besodemietert! Straks denkt iedereen hier dat ik slechts terugkom omdat ik uit ben op een voordeeltje! Ik kom hier al vijftien jaar zie je, langer dan jij überhaupt kan lopen! Ik wil je baas spreken.”
Ik probeer een verontschuldigende blik te werpen naar de rij die zich inmiddels tot achterin de winkel heeft gevormd maar het mag niet baten. Kwade gezichten kijken mijn kant op, overduidelijk uit op retributie.
“Mevrouw, ten eerste ben ik 20 en ten tweede zult u het met mij moeten doen vanavond, ik ben uw enige aanspreekpunt, de rest van de leidinggevenden zijn al naar huis.” Het idee dat een snotneus als ik het enige aanspreekpunt voor dringende klachten is op de maandagavond om vijf voor acht wordt mevrouw te veel. Ze grijpt haar sperziebonen en haar bonnetje haastig bij elkaar. Wanhopig tracht ik de situatie te redden.
“Weet u zeker dat we er niet uit gaan komen mevrouw?” Ze knikt, te boos om nog te kunnen praten en draait zich om. Pinnig marcheert ze de winkel uit.
“Nog een fijne avond?” roep ik haar vertwijfeld na, me wanhopig afvragend wat ik nou in godsnaam fout heb gedaan.

0 reacties:
Een reactie posten
Aanmelden bij Reacties posten [Atom]
<< Homepage